Aankomende diensten


Meditatie december 2021 - Van nu af…

 

Zult gij niet van nu af tot Mij roepen? (Jeremia 3: 4)

 

Geliefde gemeente, Het jaar 2021 ligt (bijna) achter ons; een nieuw jaar strekt zich voor ons uit. Mijn wens voor u, jullie en mezelf ligt in de tekst boven deze meditatie: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen?’

 

De zonde aangewezen

In het gedeelte waaruit de tekst boven deze meditatie afkomstig is, geeft de Heere het volk van Jeremia’s dagen eerst ontdekkend onderwijs. In vers 2 lezen we: ‘Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn’. De Heere tekent het volk hier op twee manieren. Allereerst in het beeld van een overspelige vrouw. Op de hoge plaatsen, dat wil zeggen op de kale bergtoppen, had het volk afgodsbeelden en afgodsaltaren gebouwd. De Baäls en Astharte werden daar gediend. Men verwachtte de regen en vruchtbaarheid van deze goden en men raadpleegde de goden om de toekomst te voorspellen. Toen het volk dat deed, heeft het geestelijk overspel bedreven. Israël heeft zich ‘laten beslapen’, zegt de Heere. In dat beeld klinkt de pijn van de Heere door: het volk is Hem ontrouw geworden!  

Het tweede beeld dat de Heere voor het volk gebruikt, bevat eigenlijk een nog ernstiger aanklacht. De Heere tekent het volk namelijk ook als een ‘Arabier in de woestijn’. Bedoeld wordt een Arabische woestijnrover, die loert op de gelegenheid om een nietsvermoedende reiziger of handelskaravaan te overvallen. Zo heeft het volk van Jeremia’s dagen actief geloerd op allerlei gelegenheden om te zondigen.

En nu zegt de Heere: Zie uw beeld eens. Sta eens stil bij wat u hebt gedaan. ‘Hef uw ogen op’ naar de plaatsen van uw zonden. Wie bent u daar geweest?

 

Met die ontdekkende woorden komt de Heere ook tot ons bij de overgang van het jaar. Het is alsof de Heere ons vraagt: Zie eens, hoe uw leven was. Welke afgoden hebt u het afgelopen jaar gediend? Hebt u zich niet overgegeven aan allerlei zonden? Bent u Mij niet ontrouw geweest? Hebt u niet geloerd op allerlei gelegenheden om te zondigen? Het kan dat we voor uitbrekende zonden bewaard werden. Maar ook als dat zo was, wat is er niet op onze tong geweest? En in onze gedachten? Is er niet alle reden om ootmoedig ons hoofd te buigen voor het ontdekkende woord van de Heere?

 

De zegen ingehouden

De Heere voegt er nog iets aan toe: ‘Daarom zijn de regendroppelen ingehouden en er is geen spade regen geweest’. Daarmee wil de Heere zeggen: Toen u, o volk van Israël, de afgoden diende, en alle zegen van de afgoden verwachtte, heb Ik de vroege regen (in oktober, november) en de late regen (in maart, april) ingehouden. U diende de afgoden en verwachtte de zegen van hen. Juist daarom heb Ik de regen ingehouden. Opdat u zou voelen dat men het tevergeefs van de afgoden verwacht. Zo bezien, kan het inhouden van de zegen van de Heere ook nog een liefdevolle les zijn.

 

Als het ons dan maar op de plaats brengt, waar het komt tot een breuk met de afgoden, en waar we de Heere gaan erkennen als de ene ware God. En daar bracht het het volk van Jeremia’s dagen… niet. De Heere vervolgt namelijk: ‘Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden’. Hoe aangrijpend: een volk dat gezondigd heeft, dat door de Heere gekastijd wordt, en dat onder de slagen niet op de goede plaats komt.

 

De nodiging uitgegaan

En dan breidt de Heere Zijn armen nodigend uit. Naar zo’n volk.  En Hij zegt het: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?’ Het is alsof de Heere zegt: Is dit niet het moment dat u zult gaan roepen tot Mij? Dat u zult gaan smeken om Mijn genade? Dat u als een rechteloze een beroep doet op Mijn verbondstrouw? Dat u zult zeggen: Heere, U hebt ons toch als een Vader willen leiden van het begin van onze volksgeschiedenis af? Wilt U ons ook nu leiden, zoals U ons vroeger leidde? Wilt U bekerend onder ons werken? Wilt U daarvoor redenen nemen uit Uzelf?

 

Wij zouden zeggen: Voor Israël was de tijd voorbij om nog tot de Heere te mogen roepen. Alles was verzondigd. En zo kan een lezer het in zijn eigen leven ook ervaren. Geen recht meer om te bidden en te roepen. Maar hoor hoe de Heere het zegt: ‘Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen?’

 

Daarmee wijst de Heere niet alleen op het grote voorrecht om Hem aan te roepen. Maar ook op de dringende noodzaak om Hem aan te roepen. Hoe zal het volk anders verder moeten? Hoe zult ú zonder dat roepen de onbekende toekomst kunnen ingaan?

 

Misschien hebt u in uw leven nog nooit echt tot God geroepen. Misschien is uw leven in 2021 één lange aaneenschakeling van roepen om en dorsten naar de zonde geweest. Daarmee hebt u eigenlijk geroepen om Gods oordelen! Mogelijk hebt u wel eens geroepen vanuit tijdelijke nood, maar nog nooit geroepen om genade voor uw ziel. Jongeren, hoe is dat in jullie leven?

 

En nu zegt de Heere het zo lieflijk nodigend tot u: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen?’ Kom, zou u Hem niet aanroepen? Om álles wat u nodig hebt. Niet alleen voor uw lichaam. Maar boven alles voor uw onsterfelijke ziel. Niet alleen voor de tijd. Maar boven alles voor de eeuwigheid!

 

De verhoring beloofd

En weet u, wie er dan roepen mogen? ‘Afkerige kinderen’, zegt het vervolg van Jeremia 3. Dat zijn mensen die zo’n onbekeerlijk hart hebben. Die erachter komen, dat er in hun hart zoveel vijandschap woont, dat ze ten diepste helemaal God niet willen. De Heere zegt: Kom, leg al dat bederf en die duisternis en ongeschiktheid van uw hart nu maar eens aan Mij voor. Want bij Mij is macht en raad om uw afkerigheid te genezen. Ja, Ik zál uw afkeringen genezen.

 

Het woord van de tekst klinkt niet alleen tot onbekeerden, maar ook tot Gods kinderen: ‘Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen?’ Degenen die de Heere vrezen, kunnen immers ook zo van de Heere afdwalen. En een van de kenmerken als ze gaan dwalen, is dat het levende gebed gaat verstommen. Dat de gebeden vormelijk worden. Dat de Heere niet meer echt wordt aangeroepen. Nu breidt de Heere als de altijd getrouwe Herder Zijn armen nog uit naar Zijn afgedwaalde schapen en lammeren. En Hij roept het Zijn kinderen nog toe: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen?’ ‘Van nu af’ – dat is vanaf dit moment!

 

En als ze dan toch gaan roepen, als de Heilige Geest het Woord gebruikt om hen tot roepen op te wekken, dan is dat – zoals het vervolg van Jeremia 3 het zegt – een roepen met ‘geween en smekingen, omdat ze hun weg verkeerd en de HEERE hun God vergeten hebben’. Dan klagen ze hun verdriet uit dat ze tegen God gezondigd hebben. Dat verbreekt hun hart. Maar dan kunnen ze het roepen tot de Heere toch ook niet nalaten.

 

Geliefde gemeente, wij weten niet wat het jaar 2022 ons brengen zal. Maar de Heere geve, dat het voor onze ouderen en onze jongeren, in alle omstandigheden van het leven, het jaar mag zijn waarin we tot de Heere zullen roepen. Ja, de Heere geve dat nu u dit Woord leest, het zo mag zijn, dat u van nu af tot de Heere zult roepen. Dat roepen zal niet zonder antwoord blijven. Nee, niet omdat we iets met ons roepen kunnen verdienen. Maar wel omdat de Heere het heeft gezegd: ‘Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren’. Dieper nog, omdat Christus naar deze wereld kwam, op Golgotha geroepen heeft, en geen antwoord ontving. Op grond van Zijn werk en verdiensten kan het ook in uw leven nog waar worden:

‘Doch, riepen z’ in d’ ellenden

Den HEER’ ootmoedig aan,

Hij deed hun angsten enden,

En hen ’t gevaar ontgaan.

Hij hielp hen uit den nood;

Hij bracht hen uit het duister

Der schaduw van den dood;

Hij brak hun band en kluister’.

 

Ds. A.J.T. Ruis